De Tulp. Wild en verleidelijk.
Vandaag de dag kennen we de tulp als een van de meest aansprekende bloemen ter wereld. Een echte Nederlandse bloem ook, ofschoon haar herkomstgebied ver hiervandaan ligt. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw werd de tulp uitgestrooid over Europa en aan het eind van die eeuw vond hij zijn plek in de Lage Landen. Vanaf dat moment is Nederland één met de tulp, met de gecultiveerde tulp wel te verstaan.
De hedendaagse tulp van de Amsterdamse bloemenmarkt lijkt ver weg van haar wilde voorvaderen in Kazachstan. En toch zijn ze verbonden door prachtige verhalen over aantrekkingskracht en begeerte door de eeuwen heen.

De oorsprong van de tulp
Tulpen zijn bolgewassen uit het westen van Eurazië. Ze komen van nature voor in een gordel van Spanje en Marokko tot de westelijke uitlopers van de Himalaya. De meeste wilde soorten zijn te vinden in de Kaukasus en in twee bergketens in Centraal-Azië: Pamir Alay en Tien Shan.
In veel streken waarin de tulp voorkomt is het voorjaar de enige groeizame periode. De tulp is aangepast aan de droge, hete zomers, afgewisseld door strenge winters. Om droogte en kou te trotseren overzomert en overwintert een wilde tulp in de grond. Als bol is de plant beter bestand tegen bevriezing en uitdroging en enkele centimeters onder het oppervlak schommelen temperatuur en vochtigheidsgraad minder sterk dan aan het oppervlak. Het gevolg van deze strategie is dat tulpen negen maanden van het jaar onzichtbaar zijn. In de overgebleven drie maanden vindt de hele cyclus plaats, van het verschijnen van het eerste groene blad tot de bloei, zaadzetting en het vormen van ondergrondse broedbolletjes. Voor een paar weken zijn de berghellingen in het Pamir-Alay gebergte spectaculair gekleurd door velden met rode of gele, bloeiende tulpen.